Uitputting nationale rechtsmiddelen als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het EHRM

1.

Artikel 35, §1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat een klacht bij het Europees Hof slechts ontvankelijk is wanneer de verzoeker alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput, alvorens zich tot het Europees Hof te begeven.

2.

In een recent arrest van 13 april 2021 (Anikeyev en Yermakova t. Rusland) heeft het EHRM deze principes nog eens herhaald.[1]

3.

In onderhavig geval was er sprake van een nieuwe nationale wet in Rusland, die voorzag in een effectief cassatieberoep in strafzaken, hetgeen voordien naar Russisch recht niet bestond en in strijd was met de vereisten van artikel 13 EVRM.[2]

4.

Dit zogenaamd nieuw amendement gold ook voor strafzaken die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, waren berecht.

5.

De nieuwe wetgeving gold dus retroactief op zaken die bindend waren geworden na 1 oktober 2019.

6.

De klagers hadden reeds beroep bij het Europees Hof neergelegd vóór het in werking treden van deze nieuwe wet.

7.

Gelet op de nieuw tussengekomen wetgeving, dienden de klagers echter eerst de nieuwe weg van het cassatieberoep te passeren, alvorens het Europees Hof te kunnen adiëren.

8.

De klacht zoals neergelegd voor het Europees Hof, was derhalve onontvankelijk, wegens het gebrek aan uitputting van alle nationale rechtsmiddelen.

Zie ook: http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=002-13267


[1] EHRM 13 april 2021, Anikeyev en Yermakova t. Rusland.

[2] EHRM 19 april 2016, Kahlan t. Rusland; EHRM 12 mei 2015, Abramyan t. Rusland.