Nood aan een meer gedetailleerde strafmotivering?

1.

Het is geweten dat de correctionele rechter bij de strafbeoordeling een grote marge heeft waarbinnen hij zowel de keuze voor een bepaalde straf als de strafmaat kan doen.

2.

Bovendien vereist de beoordeling van straf en strafmaat slechts een beknopte motivering.

3.

Artikel 149 van de Grondwet legt immers ‘slechts’ een formele motiveringsplicht op.[1]

4.

Artikel 195, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, voorziet dan wel in een bijzondere motiveringsplicht met betrekking tot de oplegging van de straf en de keuze van strafmaat, maar bepaalt tezelfdertijd dat deze motivering beknopt mag zijn.

5.

Bovendien is het toezicht van het Hof van Cassatie aangaande de toepassing van artikel 195, lid 2 Wetboek van Strafvordering slechts beperkt tot een marginale toetsing van nauwkeurigheid, ondubbelzinnigheid en niet-tegenstrijdigheid.[2]

6.

In het arrest Hadjianastassiou t. Griekenland preciseert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nochtans dat de vrijheid van de Lidstaten en de nationale rechtbanken met betrekking tot de verplichting tot motivering en de toepassing van artikel 6 EVRM niet onbeperkt is.[3]

7.

Zo benadrukt het EHRM dat de nationale rechtbanken in die zin verplicht zijn om op een heldere en nauwkeurige wijze de elementen aan te duiden waarop zij hun beslissing baseren, zodat de veroordeelde ten volle gebruik kan maken van zijn recht op het aanwenden van rechtsmiddelen (“the rights of appeal”).[4]

8.

Het EHRM voorziet wat dat betreft in een waar recht op motivering van de beklaagde, met artikel 6 EVRM als grondslag.[5]

9.

Nu de wetgever met de invoering van artikel 204 Wetboek van Strafvordering vereist dat de beklaagde die beroep aantekent tegen zijn veroordelend vonnis, nauwkeurig de grieven aanduidt dewelke tegen de bestreden beslissing worden ingebracht, waaronder de grieven met betrekking tot de strafmaat, mag worden verwacht dat ook de strafbeoordelingen en de motivering van straffen in die zin zullen evolueren.

10.

Recent onderzoek toont immers nog aan dat bepaalde factoren wat dat betreft onderbelicht bleven, maar recent aan belang hebben gewonnen.

11.

Zo zal de rechter in de toekomst bij de strafbeoordeling ook met de impact op de omgeving, en meer in het bijzonder de impact op de kinderen, van de beklaagde rekening dienen te houden, dit onder de noemer van het belang van het kind.[6]

12.

Meer concreet komt het erop neer dat wanneer 2 verschillende uitspraken hetzelfde veroordelingsdoel of hetzelfde resultaat kunnen behalen, de uitspraak met de minst negatieve impact dient te worden gekozen.[7]

13.

Onder invloed van het opgelegde grievenstelsel (artikel 204 Wetboek van Strafvordering), de toepassing van artikel 6 EVRM, als het Kinderrechtenverdrag, mag dan ook worden verwacht dat de strafbeoordeling in de toekomst een ander vorm zal of kan aannemen.

14.

Heeft u hierover vragen, aarzel dan niet ons te contacteren.

Matthias Boeckstijns


[1] S. MOSSELMANS, Motivering als vormvereiste, Gent, Larcier, 2010, p. 14 en 22.

[2] S. RAATS, “De motiveringsverplichting als waarborg tegen rechterlijke willekeur?”, NC 2011, 233.

[3] EHRM 16 december 1992, Hadjianastassiou t. Griekenland, §33.

[4] EHRM 16 december 1992, Hadjianastassiou t. Griekenland, §33.

[5] B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling: een overzicht op basis van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Maklu, 108.

[6] H. LAUWEREYS, “Gerechtelijke discretionaire bevoegdheid en de rol van het belang van het kind in het Belgisch strafrecht en in de praktijk”, EJPI 2019, Vol 8, p. 9.

[7] H. LAUWEREYS, “Gerechtelijke discretionaire bevoegdheid en de rol van het belang van het kind in het Belgisch strafrecht en in de praktijk”, EJPI 2019, Vol 8, p. 9.