1.

Een interessant arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet opnieuw de vraag rijzen in welke zin de motiveringsplicht van de rechter nog los kan worden gezien van de wettigheid van de beslissing.

2.

In het arrest TOKES t. ROEMENIE stelt het Europees Hof immers op volgende wijze een schending vast van het recht op vrije meningsuiting (artikel 10 EVRM):[1]

“98.  La Cour considère que, nonobstant leur concision, les motifs énoncés par les tribunaux internes à l’appui de leurs conclusions laissent entrevoir un examen de la proportionnalité de la sanction infligée (paragraphes 13 et 23 ci-dessus). Elle estime toutefois que, au regard de l’article 10 de la Convention, la légèreté de la sanction imposée ne saurait à elle seule pallier l’absence de raisons pertinentes et suffisantes de restreindre le droit à la liberté d’expression.”

VERTALING :

“98.  Het Hof is van oordeel dat de motivering van de nationale rechterlijke instanties tot staving van hun vaststellingen, ondanks de beknoptheid ervan, erop wijst dat de evenredigheid van de opgelegde straf is onderzocht (zie de punten 13 en 23 hierboven). Zij is evenwel van mening dat de lichtheid van de opgelegde straf op grond van artikel 10 van het Verdrag op zich geen compensatie kan vormen voor het ontbreken van relevante en voldoende redenen om het recht op vrije meningsuiting te beperken.”

3.

Traditioneel wordt de motiveringsplicht van de rechter als een louter vormvereiste gezien.

4.

 Enkele arresten van het Europees Hof gingen echter verder en spraken op dat vlak van een “recht op motivering” met als grondslag artikel 6 EVRM.[2]

5.

Dit recht werd ingevuld als:

1) De rechter is verplicht om telkenmale de adequate redenen aan te geven op basis waarvan iemand wordt veroordeeld.[3]

2) Elke rechterlijke uitspraak dient de concrete en bijzondere omstandigheden te bevatten die de rechtzoekende toelaten zijn of haar veroordeling te begrijpen.[4]

3) De nationale rechtbanken zijn verplicht om op een heldere en nauwkeurige wijze de elementen aan te duiden waarop zij hun beslissing baseren, zodat de veroordeelde ten volle gebruik kan maken van zijn recht op het aanwenden van rechtsmiddelen.[5]

6.

We stellen nu ook vast dat het EHRM in burgerlijke zaken meer en meer belang hecht aan een inhoudelijke interpretatie van het recht op motivering.

7.

Kleine kanttekening bij de casus waarvan sprake is evenwel dat enkel de schending van artikel 10 EVRM werd aangevoerd door de klager, waarop het EHRM herinnert aan haar vaste rechtspraak dat, om te kunnen spreken van een schending van een verdragsrecht, rekening wordt gehouden met volgende criteria:

  1. Is het ingrijpen in het recht op vrije meningsuiting overeenkomstig de nationale wetgeving gebeurd?
  2. Kent dit ingrijpen legitieme doeleinden?
  3. Is de interferentie noodzakelijk in een democratische samenleving?

8.

Het is bij het 3e criterium dat het Europees Hof een probleem ziet en derhalve spreekt van een onvoldoende motivering.

9.

Men zou in dit geval kunnen spreken van een soort “objectieve” motiveringsplicht, waaraan vervolgens niet is voldaan.

10.

Nochtans spreekt het EHRM in haar overweging 98 bij het arrest opvallenderwijs van “l’absence de raisons pertinentes et suffisantes de restreindre le droit à la liberté d’expression”.

11.

Het Hof besluit dan ook als volgt:

99.  En toute hypothèse, eu égard à ce qui précède, et notamment au fait que les juridictions internes n’ont pas dûment pris en compte les critères établis dans sa jurisprudence, la Cour considère que ces juridictions n’ont pas fourni des raisons pertinentes et suffisantes pour justifier l’atteinte portée au droit à la liberté d’expression du requérant. Par conséquent, l’ingérence litigieuse n’était pas « nécessaire dans une société démocratique ».

100.  Partant, il y a eu violation de l’article 10 de la Convention.

VERTALING :

“99.  Gelet op het voorgaande, en met name op het feit dat de nationale rechterlijke instanties niet naar behoren rekening hebben gehouden met de in zijn rechtspraak vastgestelde criteria, is het Hof hoe dan ook van oordeel dat deze instanties geen relevante en toereikende redenen hebben aangevoerd ter rechtvaardiging van de inmenging in verzoekers recht op vrijheid van meningsuiting. Bijgevolg was de betrokken inmenging niet “noodzakelijk in een democratische samenleving”.

100.  Er was derhalve sprake van een schending van artikel 10 van het Verdrag.”

12.

De verwevenheid van motivering en wettigheid lijkt daarmee ingezet.


[1] EHRM 27 april 2021, TOKES t. ROEMENIE.

[2] B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling: een overzicht op basis van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Maklu, 108.

[3] EHRM 13 december 2011, Ajdaric t. Kroatië, § 34.

[4] EHRM 10 januari 2013, Agnelet t. Frankrijk, § 69.

[5] EHRM 16 december 1992, Hadjianastassiou t. Griekenland, §33.