Getuigenverhoren ter zitting ter controle van belastende getuigenverklaringen: nieuwe rechtspraak van het EHRM

1.

Op 19 januari 2021 velde het Europees Hof opnieuw een baanbrekend arrest[1] inzake het toestaan van getuigenverhoren ter zitting, en meer bepaald met betrekking tot getuigen à charge, dewelke dus belastende verklaringen hebben afgelegd tegen de beklaagde en/of veroordeelde.

2.

In België waren we ondertussen bekend met de Riahi-rechtspraak, die een principieel gebod inluidt voor het toestaan van getuigenverhoren ter zitting.[2]

3.

Dit principieel recht mag alsnog worden afgewezen, in zoverre rekening wordt gehouden met volgende 3 cruciale vragen:[3]

1) bestaat er een ernstige reden die het niet-verschijnen van de getuige en bijgevolg de toelating van de verklaring als bewijs rechtvaardigt?

 2) vormt de verklaring van de afwezige getuige de enige of doorslaggevende grond voor de veroordeling?

3) bestaan er voldoende compenserende procedurele waarborgen voor de verdediging om het gebrek aan aanwezigheid van de opgeroepen getuige te compenseren?

4.

Concreet komt de rechtspraak erop neer dat wanneer de getuigenverklaring het enige of doorslaggevende bewijs vormt, het verhoor van deze getuige ter terechtzitting niet kan worden geweigerd.

5.

Wanneer men rekening houdt met het gegeven dat in België de discussie over schuld en/of straf in één adem wordt genomen, dan zal de rechter steeds zorgvuldig moeten overwegen of het getuigenverhoor ter zitting wel kan worden geweigerd.

6.

Wanneer de rechter bij het beraad immers vaststelt dat de verklaring van de getuige zoals het zich in het dossier bevindt als potentieel doorslaggevend bewijs kan gelden in de schuldigverklaring van de beklaagde, zal de rechter o.i. genoodzaakt zijn de debatten te heropenen m.o.o. het doen oproepen van deze getuige ter zitting.

7.

Ons Hof van Cassatie heeft ondertussen de Riahi-rechtspraak verder vorm gegeven in een arrest van 8 september 2020.[4]

8.

In het arrest P.20.0388.N oordeelt het Hof van Cassatie dat het ontbreken van een goede reden voor het niet-horen van een getuige ter zitting niet volstaat om te besluiten tot een schending van de Verdragsbepaling van artikel 6 EVRM, maar dat het wel een belangrijk gegeven vormt bij de besluitvorming daaromtrent.

9.

In casu oordeelde het Hof van Cassatie dat de vrees die een dergelijke getuige à charge voor zijn fysieke integriteit heeft, een goede reden kan zijn om het getuigenverhoor ter zitting te weigeren.

10.

In dat geval dient het weliswaar te gaan om een objectief en niet subjectief aanvoelen.[5]

11.

Het objectieve aanvoelen van de appelrechters, gebaseerd op objectieve elementen die zij aanduiden, dat de getuige die belastende verklaringen heeft afgelegd jegens de veroordeelde, vreest voor zijn fysieke integriteit wanneer zijn getuigenverhoor ter zitting wordt toegestaan, doorstaat om die reden de toets van het Hof van Cassatie.[6]

12.

Het Europees Hof komt in januari 2021 opnieuw met een nieuw arrest dat de kwestie over het toestaan van getuigenverhoren ter zitting opnieuw scherp stelt.

13.

Daar waar het Europees Hof in de Riahi-rechtspraak oordeelde dat de appelrechters geen reden opgaven waarom het slachtoffer als getuige werd verhinderd om te getuigen ter zitting en er evenmin procedurele of andere beletsels in de weg stonden om de getuige ter zitting te doen oproepen, oordeelt het Europees Hof in het arrest Keskin t. Nederland dat het evenmin aan de beklaagde toekomt om aan te geven of te motiveren waarom de belastende verklaringen van de getuigen incorrect zouden zijn en derhalve een cross-examination ter zitting zich zou opdringen.

14.

Het Europees Hof verduidelijkt in de overwegingen 55 en 56 dat noch het gegeven dat de beklaagde niet aangeeft waarom de belastende getuigenverklaringen incorrect zouden zijn, noch het feit dat de beklaagde zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, de weigering tot het horen van de getuige ter zitting kan rechtvaardigen.[7]

15.

Bovendien is de beklaagde zelfs niet verplicht om te motiveren waarom een getuige überhaupt zou moeten worden opgeroepen ter zitting.

16.

Wanneer de vervolgende instantie oordeelt dat een bepaalde persoon een belangrijke[8] bron van informatie is en zijn of haar verklaring in de schaal kan worden geworpen m.o.o. een potentiële schuldigverklaring van de beklaagde, moet volgens het EHRM worden verondersteld dat zijn of haar verhoor ter zitting noodzakelijk is.[9]

17.

De nieuwe rechtspraak van het Europees Hof is aldus opnieuw een nieuwe stap in het voordeel van de getuigenverhoren ter zitting.


[1] EHRM 19 januari 2021, Keskin t. Nederland.

[2] EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België.

[3] F. SCHUERMANS, “EHRM verplicht oproeping ter zitting van getuigen à charge”, De Juristenkrant 337 (2016), p. 13.

[4] Cass. 8 september 2020, P.20.0388.N.

[5] Cass. 8 september 2020, P.20.0388.N, overweging 3.

[6] Cass. 8 september 2020, P.20.0388.N, overwegingen 4 en 5.

[7] EHRM 19 januari 2021, Keskin t. Nederland, overwegingen 55 en 56.

[8] Het Europees Hof verwoordt het als “relevant”.

[9] EHRM 19 januari 2021, Keskin t. Nederland, overwegingen 45 en 56.