Getuigenverhoren à décharge ter zitting: getuigen in het voordeel van de beklaagde: gemotiveerd verzoek nodig?

1.

Recent schreven we dat het Europees Hof middels haar nieuwbakken rechtspraak in de zaak Keskin t. Nederland elke “aannemelijkheidsplicht” voor wat betreft de relevantie of de belangrijkheid van het gevraagde getuigenverhoor ter zitting, opheft in hoofde van de beklaagde.[1]

2.

De beklaagde is niet gehouden te motiveren waarom een bepaald getuigenverhoor ter zitting van een getuige à charge van belang zou zijn voor de beoordeling van de grond van de zaak.[2]

3.

Het gegeven dat een getuige belastende verklaringen, dus à charge, heeft afgelegd tegen de beklaagde houdt op zichzelf de motivering in dat de beklaagde het recht moet krijgen deze belastende verklaringen tegen te spreken of te toetsen op hun betrouwbaarheid.

4.

Dit vormt de essentie van het recht op een eerlijk proces.

5.

Voor de volledigheid:

Getuigen à charge zijn getuigen die belastende verklaringen afleggen tegen de verdachte en/of veroordeelde.

6.

Getuigen à décharge op hun beurt ontkrachten de verklaringen van getuigen à charge of ontkennen deze, of bevestigen of ondersteunen de verklaring van de beklaagde.

7.

Het Europees Hof maakt nu een onderscheid in de aanvraag aan de zijde van de verdediging tot het doen oproepen van een getuige à charge dan wel à décharge.

8.

Verzoekt de beklaagde immers om de oproeping van een getuige à décharge, dan is de beklaagde volgens het arrest Murtazaliyeva t. Rusland, nog steeds gehouden om aan te geven waarom deze getuigenverklaring relevant is voor de waarheidsvinding in het dossier.[3]

9.

Dit lijkt logisch vanuit het oogpunt van het recht van verdediging.

10.

Nochtans is de grens tussen een getuige à charge en een getuige à décharge in de praktijk niet altijd even helder te maken.

11.

Een persoon kan immers zowel belastende als ontkrachtende verklaringen afleggen.

12.

Hij kan later in zijn verhoor ook op zijn verklaring terugkomen, of niet meer helemaal zeker zijn van de verklaring door in tweede instantie in de voorwaardelijke wijs te spreken, terwijl hij voordien zonder meer wees in de richting van schuld van de beklaagde.

13.

Het lijkt ons derhalve aangewezen dat de nationale rechtbanken het motiveringsvereiste zoals neergelegd in het arrest Murtazaliyeva voortaan soepel bekijken.

14.

Niettemin zal de beklaagde o.i. dus toch telkenmale een minimum aan motivering dienen te geven waarom het nuttig zou zijn een bepaalde getuige in de ene dan wel andere richting ter zitting te doen oproepen.


[1] EHRM 19 januari 2021, Keskin t. Nederland.

[2] EHRM 19 januari 2021, Keskin t. Nederland, overwegingen 45 en 56.

[3] EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t. Rusland, overweging 141.